Ik ben Xamantha, 40 jaar, en vanaf mijn 14e ben ik in therapie geweest, met tussendoor wat halve opleidingen.
Door de jaren heen is mijn ziektebeeld steeds meer op de voorgrond komen te staan
en raakte ik erg vertrouwd met het wereldje dat psychiatrie heet.
Een bizarre, bijzondere wereld die me gevormd heeft.
Ik heb er veel geleerd, maar ben mezelf ook behoorlijk kwijtgeraakt.
Wie was ik ook alweer? Wie zou ik willen zijn?
Over die zoektocht schrijf ik hier.
Wees welkom om mee te lezen en te reageren!

Samen met 1 echtgenoot en 3 katten woon ik in een Betuws dorpje.
Ik verslind belachelijk veel boeken en ben graag creatief bezig.


donderdag 16 december 2010

Angsttandartsangst

Vandaag voor het eerst in m'n leven bij een angsttandarts geweest. Een stap die ik al jaren wil en intussen ook echt moet zetten, maar die ik telkens voor me uitgeschoven heb.
Ik had inmiddels al wel veel opgezocht over de klinieken waar ze gespecialiseerd zijn in zeer angstige patiënten, wist ook dat áls ik zou gaan, ik voor Beuningen zou kiezen. Hun website en de info daarop voelde gewoon heel goed.

Heel kort wil ik wel even vertellen dat mijn angst niet zozeer te maken heeft met slechte ervaringen met tandartsen, wel een klein beetje met angst voor pijn, maar het komt voornamelijk uit trauma's met betrekking op gedwongen orale seks. Zo. Dat is eruit.
Het niet baas in je eigen mond zijn op zo'n moment, de herbelevingen die het oproept en de schaamte van steeds langer niet gaan en weten dat je gebit ondertussen grondig naar de kloten is: dat maakt het zo heftig.

Een paar dagen geleden brak een van mijn voortanden af. Zelden zo in paniek geweest, want ik wist dat ik nu wel móést. Twee andere mogelijke scenario's gingen door m'n hoofd: voor altijd binnen blijven of de hele shitzooi per direct te beëindigen door te kiezen voor de dood. Ja, ik weet hoe dramatisch dat klinkt, maar het waren reële opties voor mij, geen loze kreten.
Na een dissociatie van meer dan een uur is Albert aan het bellen gegaan met Beuningen. Het traject gebitssanering en vermindering van de angst heeft een wachtlijst, ik kan in januari terecht voor een intake. We konden wel de volgende dag komen voor een noodoplossing.

Er zat weinig anders op, ook omdat de pijn steeds erger werd, dus vanmiddag maakte ik kennis met een tandarts van dat centrum. Ongelooflijk hoeveel geduld de arts en assistentes hadden, elke keer opnieuw geruststellen en heel gedetailleerd vertellen wat ze gingen doen en wat ik daarvan zou merken.
Het was een flink gevecht om 'bij' te blijven, er schoof steeds een ander angstaanjagend gezicht over dat van de vrouwelijke tandarts heen, moest me heel erg focussen op waar ik was. Daar werd ik enorm bij geholpen door de mensen van de kliniek en door mijn eigen lief, die dicht bij me bleef en z'n hand vrijwillig liet fijnknijpen.
Toen het bijna klaar was en ik blijkbaar mijn afweer wat liet zakken, raakte ik toch nog even weg omdat de beelden zich in volle hevigheid aan me opdrongen.

Al met al heb ik 40 minuten in die stoel gezeten, heb ik een wortelkanaalbehandeling gehad en zit er nu een tijdelijk hompje vulling in de vorm van een tand.

Thuis, toen de verdoving uitgewerkt was, wat gegeten en in bed gekropen. Heel even geslapen, maar meteen dromen, dromen, dromen. Even beneden geweest, wat tv gekeken, weer terug naar bed. Kon mezelf goed afleiden met een luchtig boek, maar elke keer als ik besloot te gaan slapen en mijn ogen sloot, gingen er weer beelden door m'n hoofd en hoorde ik vies gefluister in m'n oren.

Vandaar dat ik nu een andere tactiek probeer: de gebeurtenissen van me afschrijven en al typend tegen mezelf zeggen dat ik sterker ben dan die beelden, sterker ben dan degene die me kapot gemaakt heeft.
Ik ga in januari het officiële traject bij de angsttandarts beginnen, ik vermoed dat het start met een behandeling onder algehele narcose om de grootste schade te herstellen en daarna verschillende behandelingen om mijn gebit weer helemaal goed te maken. Doel van die nabehandelingen is niet alleen praktisch: ze zijn erin gespecialiseerd om die angst ook echt weg te kunnen krijgen, zodat ik daarna zonder al te veel angst naar de jaarlijkse controle kan komen.
2011, kom maar op! Ik ben er klaar voor om de integriteit van mijn mond terug te veroveren, om weer een stukje van het trauma achter me te laten...

zaterdag 11 december 2010

Paniek

Een van de glazen panelen van de abri is weg, vernield waarschijnlijk.

Het moment dat je het bushokje via die opening betreedt lijk je opeens wakker te worden en voel je dat het mis is. Gillend gek mis.
Wat is het koud, wat ben je moe na weer zo'n doorgehaalde nacht.
De bus is net geweest, zegt je man, die naar de vertrektijden kijkt. Op dit vroege uur geldt een andere dienstregeling. We moeten nog twintig minuten wachten.
Je voelt iets ontsporen in je hoofd, een trein wellicht. Twintig minuten. Nee, dat kan niet, over twintig minuten ben je allang dood.

Je probeert de paniek te onderdrukken met een lang geleden geleerde techniek: kijk om je heen, wat zie je, wat hoor je? Ga al je zintuigen na om in je lijf te blijven.
Je ziet. Auto's, veel auto's die vlak langs het bushokje razen. Je ziet. Mensen in die auto's, ze zien jou niet. Je ziet. Dat het daglicht oprukt en jou veel te veel van de wereld om je heen laat zien.
Je hoort. Zoef, zoef, twee auto's vlak na elkaar. In de verte het geluid van meeuwen, ze gillen vandaag.
Je voelt. De kou die bij elke ademhaling via je neus naar binnen gaat, omlaag, je longen in. De scherpte is niet onprettig. Let op je adem. In, uit. Je valt uit het ritme en ademt er maar wat op los.
Je proeft. De smaak van het shaggie dat je rookte vlak voordat je de deur uitging kleeft in je mondholte. Bloed, je proeft ook bloed.
Je ruikt. Geuren die er niet kunnen zijn. Foute, foute geuren.
Je ziet. Je omgeving verscherpt en vervaagt, komt dichterbij en trekt zich dan weer zo ver terug dat jij een reus in zevenmijlslaarzen lijkt. Je ziet jezelf voor elke auto springen, je ziet je hoofd splijten als je het asfalt raakt
Je ziet. Niets meer. Het beeld gaat op zwart.

Een oerinstinct komt bovendrijven en maant je jezelf in veiligheid te brengen. Naar huis, naar huis.
Ik ga, zeg je tegen je man, ik moet hier weg.
Hij zegt iets. Je verstaat het niet, maar je weet dat het over wachten op de volgende bus gaat.
Ik ga, zeg je. Je richt je ogen op hem in een poging te laten zien dat je zo meteen dood zal gaan. Zie me. Zie mijn angst. Ik heb geen woorden. Help me.

Ik ga, zeg je, en je gaat. Het kost veel te veel inspanning om in te schatten wanneer je de weg over kunt steken, je waagt de gok maar gewoon.
Je man loopt naast je en probeert je hand te pakken. Blijf van me af! Alles staat op springen en als er nog één prikkel bij komt zal ik ontploffen. Letterlijk. Het monster in je buikholte zal zich met vernietigende kracht bevrijden van het omhulsel dat jij bent. Een explosie zonder geluid, het enige dat hoorbaar zal zijn is het neerploffen van kleine stukjes versplinterd lijf. Onherkenbare brokjes bloederig vlees, hoopjes drab van wat ik was.
Of misschien implodeer ik wel. Stroomt er een giftig groen straaltje levenssap de goot in, sissend en dampend. Weg.

Snel nu, snel, de bom tikt steeds harder. Je volgt het tempo. Je benen zijn veel te kort, het duurt allemaal veel te lang. Je voeten stampen, marcheren zonder aarzeling over het bevroren wegdek waar je op de heenweg voetje voor voetje liep, bang om te vallen.
Voetstappen vlak achter je. Beschermende achtervolging, dat weet je, maar toch verwacht je elk moment een slag in je nek of een kogel door je hoofd. Vluchten kan niet, zijn benen zijn zoveel langer dan de jouwe.

De wind striemt in je gezicht, er trekt een kramp door je lijf. Je benen willen stoppen. Je gaat te hard, het is te glad, je houdt jezelf niet meer bij.
Blik op oneindig nu, doorgaan, doorgaan, doorgaan!
Je man zegt iets, maar je snapt zijn woorden niet. Er is geen ruimte voor, je focust je met heel je wezen op lopen, lopen, lopen.
Stap, stap. In je hoofd klinkt enkel nog het dreunen van je schoenen op het asfalt.

Pijn in je bovenbenen, in je kuiten. Bloed ruist bonkend door je kop.
Je lijf wil niet meer. Je lijf wil zich laten vallen, gewoon daar op straat. Je lijf wil opgeven.
Nog even, nog even, de straat waarin je woont is al in zicht.
Je struikelt half, grijpt je vast aan de arm van je man. Sterk, stabiel. Je voelt hoe hij zijn stappen aanpast op jouw tempo: nog steeds snel, maar met kleinere passen. Hem loslaten is nu geen optie meer.

Daar is je straat. Stoepje op, stoepje af, oversteken. Vanuit elk huis priemen glurende ogen door de ruiten. Je trekt je verder terug in je jas en sjaal en je drukt je wat dichter tegen je man aan. Bijna, bijna, het is bijna over.
Het hobbelige pad met de losliggende tegels, je voordeur. Je voeten lopen nog even door en je botst tegen de deur.
Hij steekt de sleutel in het slot en je stormt naar binnen.

Thuis. Veilig? Nee, nog niet. Veiligheid is boven, onder je dikke dekbed.
Schoenen uit, jas uit, dan de trap op. Her en der verlies je kleren.
Daar is het, je bed. Je veilige haven.
Je laat je vallen, trekt de dekens ver over je hoofd en krult je op. Het bonken in je hoofd overstemt alles, het ritme voert je weg. Eerst tranen, dan pas slaap.

vrijdag 3 december 2010

Ischias deel zoveel

Vorige week ver over m'n grenzen gegaan en m'n rug fluit me terug nu: zitten en staan gaat haast niet, het is een stuk heftiger dan de aanval begin vorige maand.
Tramadol (=pittige pijnstillers), een kruikje en liggen afwisselen met lopen was tot nu toe wat hielp, maar vandaag bracht Albert deze patches mee. De kruik mag de kast in, dit helpt op precies de juiste plek en de warmte is constant. Opluchting!

Ik hoop dat als ik het net zoals vorige keer aanpak, het niet verder door gaat zetten.
Zo, moest ik ff kwijt, nu gauw weer offline ;)