Ik ben Xamantha, 39 en vanaf mijn 14e ben ik in therapie geweest, met tussendoor wat halve opleidingen.
Door de jaren heen is mijn ziektebeeld steeds meer op de voorgrond komen te staan
en raakte ik erg vertrouwd met het wereldje dat psychiatrie heet.
Een bizarre, bijzondere wereld die me gevormd heeft.
Ik heb er veel geleerd, maar ben mezelf ook behoorlijk kwijtgeraakt.
Wie was ik ook alweer? Wie zou ik willen zijn?
Over die zoektocht schrijf ik hier.
Wees welkom om mee te lezen en te reageren!

Samen met 1 echtgenoot en 3 katten woon ik in een Betuws dorpje.
Ik verslind belachelijk veel boeken en ben graag creatief bezig.


woensdag 22 mei 2013

Winst en verlies

En dan kom je op een punt waarop je grootste angst werkelijkheid wordt: het verliezen van vrienden, geliefden, familie.

Ik vermoed dat ik op het moment op een heel aantal mensen overkom als hard, egocentrisch, asociaal en zieker in mijn kop dan ik ooit was.
Ik vermoed ook dat mijn getuigenissen over herstel niet altijd even serieus genomen worden. Met dank aan stigma en zelfstigma, want ik ben razend goed geworden in het bevestigen van de vooroordelen over borderline. Wisselvallig? Check. Stress-gerelateerde paranoia? Check. Flippen als het allemaal teveel wordt? Check. Zwart-wit denken? Ja hoor, kan ik prima.

Wie ik ben naast mijn stoornis en ziektebeeld heb ik heel lang in het teken laten staan van compensatie van al het bovenstaande. Wetend dat je lastig bent, een moeilijk mens om mee om te gaan, dat je soms het uiterste vergt van je omgeving maakt je nederig. Althans, zo werkt het voor mij. Ik vond dat ik zo ontzettend veel vroeg van anderen dat ik buiten mijn gestoordheid vooral lief, steunend, dienstbaar en betrokken moest zijn. Ik had iets goed te maken.

Natuurlijk kun je je zo'n houding niet aanmeten als dat alleen maar vanuit een schuldgevoel komt. Het wel en wee van anderen gaat mij aan het hart. Ik ben oprecht geïnteresseerd en betrokken. Soms teveel ook, te grenzeloos.

Maar wat ik ontdek in mijn proces is dat ik mezelf heb aangepast aan een beeld dat ik nastreefde, het beeld van iemand die dan wel ziek en moeilijk, maar toch aardig genoeg is om van te houden.
Ik ga confrontaties uit de weg. Ik houd boosheid en verdriet binnen. Als mijn beste vriendin mijn verjaardag vergeet, dan glimlach ik en zeg dat het niet geeft. Ik luister naar ieders verhaal en probeer het oprecht te begrijpen, mijn eigen oordeel weg te vagen. In contact met anderen vlak ik mezelf uit.

Vorig jaar is er voor het eerst iemand openlijk boos geworden om mijn houding. Dat was een schok en het maakt me nog misselijk als ik eraan terugdenk.
Hoe ik het in mijn hoofd haalde om mijzelf zo klein te maken...dat ik stelselmatig niet alleen mijn lijf, maar ook mijn hele levenskracht ondermijnde...dat met de kracht om te getuigen van een strijd ook een verantwoordelijkheid gemoeid is.

Zelfstigmatisering. Pas nu ik er een artikel over moet schrijven dringt volledig tot mij door dat ik daar niet alleen in moeilijke tijden actief in ben, maar dat ik ervan doordrenkt ben. En het zo verdomd beu ben!

Ik denk dat ik de laatste tijd stappen heb gezet om uit die houding te komen.
Een van die stappen is er ronduit voor uitkomen dat ik ruimte nodig heb. Dat heb ik een paar blogpostjes geleden proberen uit te leggen. Ik hoopte op reacties. Ja, op begrip natuurlijk, maar ik had er wel degelijk rekening mee gehouden dat niet iedereen er blij mee zou zijn.
Iedereen bleef aardig en steunend tegen me doen. Heel langzaam begon ik te geloven dat ik mezelf iets in mijn hoofd had gehaald, dat ik anderen niet kwetste. Anders zou ik toch wel wat horen?

Intussen weet ik dat er mensen boos zijn en helemaal klaar zijn met mij. En nee, daar kan ik niet mee omgaan, daar raak ik volledig van in paniek. Precies de reden waarom ik helemaal geen feedback krijg waarschijnlijk; mensen hebben helemaal geen trek in die flippende borderliner. Of in schuldgevoelens.

Ik ga proberen het verlies van andermans welwillendheid om te zetten in winst. Winst voor mezelf, maar misschien ook wel voor mijn omgeving. Laat in godsnaam die fluwelen handschoenen achterwege. Houd alsjeblieft op met bang te zijn voor mij. Laat me niet raden naar wat je denkt en wat je voelt, maar probeer uit wat onze band kan hebben. We hebben iets te verliezen: harmonie. Er valt ook iets te winnen en dat is oprecht en gelijkwaardig contact. Zelfrespect misschien wel.

Ik wil boven mijn ziektebeeld uitgroeien. Ik wil stoppen met alsmaar proberen aardig en lief gevonden te worden. Ik wil eerlijk zijn en open. Ik wil bestand zijn tegen de pijn die daarmee gepaard kan gaan. Ik wil accepteren dat ik nog honderdduizend keer onderuit ga voordat het me lukt.

Ik wil weten hoe het voelt om van mezelf te houden. Ooit.



Het Fort


Uit mijn herstelverhaal, dat nog lang niet af is:

Ik ben Marijke en ik ben herstellende.
Herstellende van een kapotte jeugd, een gebroken puberteit en van vele jaren psychiatrie.

Herstellen, dat klinkt positief. De goede kant op gaan, nieuwe kracht aanboren, met de toekomst in het vizier stappen voorwaarts zetten. Breuken die helen, puzzelstukjes die op hun plek vallen, touwtjes die weer in eigen hand genomen kunnen worden: een prachtig proces. Wat fijn voor mij dat ik herstel!
Dat vond ik ook hartgrondig op het moment dat mijn herstel inzette: mogelijkheden, toekomst, vrijheid, geluk – ik was euforisch en stond te trappelen van ongeduld om alle kansen aan te grijpen.

De eerste stappen zijn gezet en daar heb ik volop van genoten. Ik herontdekte mezelf, hervond mijn zin in het leven, durfde weer te gaan dromen en straalde dat ook aan alle kanten uit. Herstellen, wat heerlijk, dat zou iedereen eens moeten doen. Ik kreeg er haast zendingsdrang van.

Tot de eerste crisis zich aandiende.
Oh, zeker had ik ingecalculeerd dat het ook wel weer eens minder zou gaan en dat mijn stappen heus niet altijd vrolijke huppelsprongen zouden zijn, maar ik had niet verwacht dat ik zo hard van mijn roze wolk zou donderen.

Daar zat ik dan, op de koude grond, huilend van de klap die ik had gemaakt. Overal pijn en, veel erger, nergens meer beschutting tegen de regen die inmiddels met bakken uit de hemel kwam. Het veilige fort van mijn bestaan als cliënt had ik met eigen handen en een sloophamer van optimisme aan stukken geslagen. Het was mijn levenswerk, dat fort, ik had er vele jaren aan gebouwd en elke steen had ik zelf gelegd. De muren ademden mijn geschiedenis, ik kende elke spelonk en iedere kamer. Steeds verder had ik het verfijnd tot het niet slechts een schuilplaats maar een thuis was geworden. Niet het beste fort ter wereld, mooi was het ook zeker niet, maar het was helemaal van mij. Ik wist op welke plekken ik telkens mijn hoofd zou stoten en welke traptreden me zouden doen struikelen. Heel comfortabel was het niet, maar het was wel helemaal van mij. Ik was er veilig.

Waarom dan slopen, wat had mij bezield?
Ik had de tralies voor de ramen ontdekt en merkte tegelijkertijd dat ik was gaan groeien, zoals Alice in Wonderland die dronk uit een flesje groeimiddel. Ik groeide en groeide en kwam knel te zitten tussen de gepantserde muren van mijn fort. Ik kreeg het benauwd, verlangde naar frisse lucht en de plek die eens mijn veilige haven was leek nu een gevangenis.

Niemand dwong mij om te gaan slopen. Sterker nog: als iemand mij had proberen te dwingen, had ik mijn fort met mijn leven beschermd. Afblijven, dit is van mij!
Het was ook niet zo dat ik geen keuze had. Ik wist immers dat in de nis bij een van de ramen een tweede flesje stond. Ik hoefde het maar leeg te drinken om weer te krimpen en alles zou weer worden zoals het was. Slechts één bijwerking had dat middel: als ik besloot om weer te krimpen en weer zonder moeite in mijn fort zou passen, dan zou dat voor langere tijd zijn. Ik zou voorlopig de kracht niet meer hebben om uit te breken en de groei waar ik zo blij van was geworden, zou ik weer in moeten leveren. Niet voorgoed, er zouden vast wel weer groeikansen komen, ooit. En ik hoefde heus niet alles in te leveren; ik wist tenslotte hoe ik de stappen tot groei had gezet, een volgende keer zou ik niet het wiel opnieuw uit hoeven te vinden.

Met andere woorden: de vooruitgang die ik had geboekt in mijn herstel hóefde ik niet door te zetten. Er waren voorzieningen waarop ik terug kon vallen, er was een kliniek waar ik altijd (nou ja, als er bedden vrij waren) terecht zou kunnen en mijn omgeving was compleet vertrouwd met het beeld van mij als cliënt. De verwachtingen waren niet zo hoog, het vertrouwen in mijn groeikracht en doorzettingsvermogen, zowel bij mijzelf als bij omstanders, was gematigd. Niemand zou het me kwalijk nemen als ik na deze opleving weer terug zou vallen in de rol waar ik zo goed in was, de rol van cliënt.
Nou ja, niemand...
Ik had geproefd van de toekomst, geproefd van herstel en ik wilde meer. Alsof ik als een soort Eva van de boom van wijsheid had gesnoept en opeens mijn eigen naaktheid, mijn kwetsbare en gekwetste positie zag. Voor het eerst voelde ik heel sterk: ik wil dit niet meer. Groeien doet pijn, maar groei betekent ook leven. Overleven had ik genoeg gedaan, léven wilde ik.

En zo kwam het dat ik mijn fort sloopte.
Weg met de lijdzaamheid, weg met de aangeleerde hulpeloosheid. Weg met het overgeleverd zijn aan de grillen van het behandelend team, weg met die stempel op mijn voorhoofd. Ik nam de regie terug.
Overigens geen, zoals het mensen met mijn stempeltje betaamt, impulsieve actie, dat slopen. Ik sloopte met beleid, richtte mijn sloophamer niet meteen op de fundamenten van het fort.

Er werd geapplaudisseerd. Er werd gejuicht. Ik werd aangemoedigd. De verwachtingen stegen, men vond mij sterk. Daar was ik het voor het eerst in mijn leven mee eens: ja, ik was sterk.

En toch gleed ik uit en zat ik beduusd te kijken naar de ruïnes van mijn fort.
Er was een storm opgekomen, een storm die steeds feller werd en grote hagelstenen met zich meebracht. Schuilen kon ik niet meer.
Doodsbang was ik. De hagelstenen deden zoveel pijn op mijn huid dat ik ze niet meer kon verdragen. Zoveel pijn dat ik me niet kon voorstellen dat ik daar ooit aan zou wennen. De verantwoordelijkheid die een leven buiten de psychiatrie met zich mee bracht, de verwachtingen die ik waar moest gaan maken, alle hagelstenen die nog zouden komen...het was te veel. Ook de aanblik van mijn verwoeste fort, waarvan ik nu in helder daglicht zag hoe vreselijk klein die veilige plek eigenlijk was geweest deed me huiveren.
In een gesneuvelde ruit zag ik mijzelf weerspiegeld. Grijze haren bij mijn slapen, een gezicht dat niet langer het gezicht van een meisje was. Littekens, ontelbaar. De klok had onverbiddelijk door getikt. Bittere tranen zag ik blinken, tranen vol besef van gemiste kansen en verstreken jaren.

Toen een verblindend heldere bliksemflits ook nog eens koud licht op mijn relatie wierp en ik me bewust werd dat mijn huwelijk totaal in het teken van mijn leven als cliënt was komen te staan stortte ik in.
Ik ben hard gaan rennen, wilde alleen nog maar weg van de chaos. Dit kon ik niet aan.
Ik deed een suïcidepoging, werd door de politie uit de handen van de dood getrokken en belandde op de gesloten afdeling van de kliniek.

Juist daar, op de meest vernederende plek die ik me kon voorstellen, vond ik wederom mijn vechtlust terug. Precies de plaats waar ik de laatste keer het roer had omgegooid en de eerste stappen naar herstel had gezet.
Juist op de plek waar ik niet meer mocht kiezen wat ik 's avonds at, waar ik mijn medicijnen onder toezicht moest innemen en waar ik niets meer te zeggen had over mijn eigen leven, dan wel mijn eigen dood, juist op die plek merkte ik dat ik veranderd was. Ik paste er niet meer, ook niet op de open afdeling waar ik na een paar dagen een kamer kreeg.

Daar begon mijn herstel.