Ik ben Xamantha, 40 jaar, en vanaf mijn 14e ben ik in therapie geweest, met tussendoor wat halve opleidingen.
Door de jaren heen is mijn ziektebeeld steeds meer op de voorgrond komen te staan
en raakte ik erg vertrouwd met het wereldje dat psychiatrie heet.
Een bizarre, bijzondere wereld die me gevormd heeft.
Ik heb er veel geleerd, maar ben mezelf ook behoorlijk kwijtgeraakt.
Wie was ik ook alweer? Wie zou ik willen zijn?
Over die zoektocht schrijf ik hier.
Wees welkom om mee te lezen en te reageren!

Samen met 1 echtgenoot en 3 katten woon ik in een Betuws dorpje.
Ik verslind belachelijk veel boeken en ben graag creatief bezig.


maandag 23 maart 2015

Mevrouw Snijder


Trrringgg. Trrringgg. Tring-tring-tringggg.
Mijn lijf schiet overeind. Waar ben ik?
Mijn handen voelen dekens, een kussen. In bed, ik zit rechtop in bed. Hoe laat is het?
Ik kijk naar de wekker maar snap de getallen niet.

Tring-tring. De deurbel. Die gaat hier niet vaak, dit huis is een fort. En als ik alleen thuis ben, zoals nu, doe ik niet open.
Wie kan het zijn, verwacht ik een pakje? If so, dan kan het wachten. Bezoek wil ik niet en krijg ik niet. En de Jehova's Getuige die elke maand een keer probeert mijn zieltje te redden is deze week al geweest.
Ik sluit mijn ogen en zak terug in mijn kussen.
Trrringgggg. Tring-tring-trrrringggg. Geklop op het raam.

Mijn hart zit nu in mijn keel en mijn geest neemt een vlucht naar een moment van anderhalf jaar geleden. Toen stopte de deurbel niet met rinkelen en werd er steeds harder gebonkt. Toen bleek mijn liefste poezenvriendje dood op straat te liggen.
O god. Wie is er dood? Molotov? Pavlov?

Ik pak een vest van de stoel naast het bed en sluip de trap af. Misschien is Albert dood en staat er politie. Als ik nu niet open doe forceren ze de deur, net als die keer dat ze dachten dat...
Hoor ik glasgerinkel? Ja, en ik ruik een brandlucht. Of bedriegen mijn zintuigen me?
Halverwege de trap ga ik op een trede zitten. Bijblijven, ademhalen.
De deurbel is gestopt. Er is niets.

En dan gaat de telefoon.
Ik blijf verstijfd zitten en hoor voetstappen. Weer wordt er aangebeld.

In paniek doe ik de voordeur open. Er staat een keurige mevrouw in een mantelpakje. “Ik heb een afspraak met u.”
Een afspraak? Met mij? Ik kijk haar met grote ogen aan en snap er helemaal niets meer van.
“Dit is toch de ....straat, nummer ...? U bent toch mevrouw Snijder? Ik heb u net gebeld, want we hadden tien minuten geleden afgesproken om de belastingpapieren door te nemen...”
Hakkelend leg ik haar uit dat het adres klopt maar dat ik niet mevrouw Snijder ben en geen afspraak met haar heb. Ze kijkt me aan alsof ze me niet gelooft en ik realiseer me dat ik er ook wel vreemd bij sta, met mijn haar alle kanten uit en een bijeengeraapt rommeltje kleren aan. De paniek zal ook wel zichtbaar zijn.
Gelukkig gaat ze weg en is mijn huis weer veilig.

Even later zit ik gillend in mijn bed. Ik weet niet hoe ik daar gekomen ben en of ik nog geslapen heb. Ik weet alleen dat er koud zweet langs mijn rug loopt en dat ik steeds naar mijn handen kijk om te zien of er bloed aan zit. Ogen dicht, ogen weer open. Bloed. Ogen dicht, ogen open. Nee, er is geen bloed. Ik zit niet met een dode kat in mijn handen. Er staan ook geen mensen naast mijn bed. Mijn katten zijn binnen en ze leven. Albert is gewoon op zijn werk en leeft. Het huis staat niet in brand. Niemand heeft onze voordeursleutel, zeker de buren niet. Ik ben veilig.

Ik neem een douche, spoel de emoties van me af en probeer de waterstralen te voelen. Ben vergeten de lamp in de badkamer aan te doen. Heb ik mij eigenlijk wel uitgekleed?

De rest van de dag breng ik in verwarring door, wachtend tot Albert thuiskomt. Vertel hem van de vreemde vrouw aan de deur. Hij vraagt of ik gegeten heb. Geen idee. Ik check mijn suikerspiegel en zie dat die laag is. Glaasje fris, een boterham. Langzaam wordt de wereld weer gewoon, al wil mijn lijf niet stoppen met trillen.

Een paar uur later haal ik een van de katten aan. Hij geeft een kopje aan mijn hand en het voelt nat. Regent het? Nee, het bloedt. Hij bloedt. Ik durf niet naar hem te kijken want ik weet dat zijn kop in stukken is gespleten en dat zijn ene oog...
Nee! Zorgen, eerst zorgen, dan pas ruimte voor paniek.
Mijn hand krijgt nog een kopje en samen met Albert kijk ik onze Molotov grondig na. Een wondje op zijn wang, waarschijnlijk van de korte confrontatie die hij net met het andere katertje had.

“Schat, ben je er? Blijf je even bij?”
Ik kijk op en zie Albert, wazig. Zijn hand houdt de mijne vast. Mijn hand zweet, ik knijp. Telkens weer die vraag of ik er ben, telkens mijn naam. “Je raakt steeds weg liefje, zeg eens wat ik moet doen om je te helpen”.

Op de toppen van mijn kunnen graaf ik in mijn hoofd. Lang geleden, dit, en ik kan me niet herinneren hoe ik het kan stoppen. O ja, snijden, dat helpt! Ik veer op en zak meteen weer terug in mijn stoel. Nee, snijden mag ik niet meer van mezelf. Ik ben mevrouw Snijder toch niet?
Albert helpt, Albert helpt heel goed. Hij zegt dat hij weet dat ik A., mijn hulpverlener niet wil bellen, maar zou ik kunnen bedenken welke tips zij zou geven?
Ja, dat weet ik een klein beetje. En ik weet ook hoe ik iemand anders zou helpen die dissocieert. Richt je op fysieke prikkels. Voel je ademhaling en probeer naar je buik te ademen. Kijk om je heen en benoem wat je ziet, waar je bent, hoe laat het is, welke datum het is.

Ik pak mijn shag en probeer een shaggie te draaien. Ik kijk Albert aan en zeg: “ik zit in mijn stoel, ik zit te kloten met een vloeitje en als ik zo mijn peuk aangestoken heb ben ik vanzelf met mijn ademhaling bezig. Ik kan de klok niet zien dus ik weet niet hoe laat het is.”
Albert benoemt dat het kwart over zes is. “Weet je ook welke dag het is, welke datum is het?”
Ik lach, want ik weet nooit welke datum het is. “Dat zoek ik zo voor je op. Ik ga eerst roken. En ik ga niet automutileren, want ik ben mevrouw Snijder niet,” en als hij zijn wenkbrauwen optrekt: “leg ik straks wel uit. Waar is m'n aansteker?”

Die avond kruip ik vroeg onder de wol met een extra pammetje achter de kiezen. Ik aai de kat die bij me is gaan liggen en lees wat. De slaap laat lang op zich wachten, maar dat geeft niet. Ik ben weer in het heden en mijn huid is nog heel.

Ik ben mevrouw Snijder niet meer.